Tibetaanse Terrier

 

Dit ras, dat ook Darjeeling Terrier wordt genoemd, vindt zijn oorsprong in Tibet, waar het fokken voorbehouden was aan de monniken. Tweeduizend jaar geleden moeten er al honden zijn voorgekomen die overeenkwamen met de huidige rasbeschrijving van de Tibetaanse Terrier. In het land van oorsprong werd hij hoofdzakelijk als herdershond gebruikt; het is dan ook beslist geen Terrier of Terrierachtige, alhoewel hij in Nederland wel in deze groep is ingedeeld. In de ons omringende landen heeft men hem echter meestal bij de gezelschapshonden ondergebracht.

Het is een levendige schrandere, moedige, niet agressieve hond, een goede kameraad voor zijn baas en vriendelijk, maar behoedzaam tegenover vreemden. Uit zijn oorspronkelijk bestaan van herdershond in bergland heeft hij een goed gevoel voor evenwicht overgehouden, terwijl hij ook een uitstekende springer is. 

De schouderhoogte voor reuen is ongeveer 35 tot 40 cm en de teven blijven iets kleiner.

De Vacht: De dubbele vacht vereist een regelmatige verzorging. De ondervacht is fijn en wollig. De overvloedige bovenvacht is fijn, maar niet zijdeachtig of wollig. Lang, recht of gegolfd, maar niet gekruld.
De kleur: Wit, goudkleurig, créme, grijs of rookkleurig, zwart, twee- en driekleurig: in feite is iedere kleur toegestaan, uitgezonderd chocolade- of leverkleur.

Vachtverzorging: De vacht moet minimaal een keer per maand gewassen worden. Ook moet de vacht goed geborsteld worden zeker drie maal per week. Dit komt de vacht alleen maar ten goede en je hebt hierdoor de klitvorming beter onder controle.